10 Popiconen die miljoenen aan royalties misliepen dankzij wurgcontracten

10 Popiconen die miljoenen aan royalties misliepen dankzij wurgcontracten

De muziekindustrie kent een lange geschiedenis van jonge talenten die uit onwetendheid wurgcontracten tekenden. Veel iconische hits brachten miljoenen op, maar de artiesten zelf zagen door juridische constructies vaak geen cent van die winst.

1. Little Richard en Tutti Frutti

De jonge Little Richard probeerde wanhopig zijn familie te onderhouden na de moord op zijn vader. Toen Specialty Records hem een contract aanbood, tekende hij direct. Populaire verhalen melden dat hij de publishingrechten van zijn debuutsingle Tutti Frutti destijds voor een schijntje afstond. Het bleek een dure fout voor een nummer dat de rock-‘n-roll zou helpen definiëren.

De royalty per verkochte plaat lag extreem laag vergeleken met de toenmalige standaarden. Tutti Frutti verkocht meer dan 500.000 exemplaren, maar Little Richard zag slechts een fractie van de opbrengst terug. Toen Pat Boone in 1956 een succesvolle cover uitbracht, liep Little Richard door de constructie van het label ook daar veel inkomsten mis.

In 1984 spande hij een miljoenenrechtszaak aan tegen de platenmaatschappij. Die zaak werd uiteindelijk geschikt voor een onbekend bedrag, maar de decennia aan gemiste inkomsten kwamen nooit meer volledig terug.

2. Richard Ashcroft en Bittersweet Symphony

The Verve  had vooraf toestemming gevraagd om een vijf-noten sample te gebruiken uit een orkestrale versie van het Rolling Stones-nummer The Last Time. Die toestemming kregen ze aanvankelijk ook, inclusief een afspraak om de opbrengsten te delen.

Toen de single eenmaal een succes werd, veranderde de situatie. Allen Klein, de voormalige manager van de Stones, luidde de noodklok. Hij beweerde dat The Verve meer van de sample had gebruikt dan contractueel was afgesproken. De band stond voor een keuze: alle royalties afstaan of de single direct uit de handel halen. Ashcroft hield uiteindelijk vrijwel niets over aan het nummer dat miljoenen opbracht.

In interviews schatte Ashcroft het misgelopen bedrag later op tientallen miljoenen dollars. In 2019, tien jaar na de dood van Allen Klein, gaven Mick Jagger and Keith Richards de rechten alsnog over aan Ashcroft. Een mooi gebaar, maar twintig jaar aan misgelopen inkomsten waren definitief verleden tijd.

3. The Animals en House of the Rising Sun

Toen The Animals in mei 1964 hun iconische versie van dit traditionele volkslied opnamen, werd slechts één bandlid als arrangeur gecrediteerd: toetsenist Alan Price. In de popgeschiedenis circuleert het verhaal dat er simpelweg niet genoeg ruimte op het fysieke singlelabel was voor alle vijf de namen, al zien historici dit eerder als een fabeltje achteraf.

De gevolgen van deze registratie waren hoe dan ook enorm. Omdat het lied zelf in het publieke domein viel, gingen alle arrangeur royalties uitsluitend naar Alan Price. Zanger Eric Burdon, gitarist Hilton Valentine en de rest van de band ontvingen hierdoor geen schrijversinkomsten van de wereldwijde nummer één-hit.

De wrok binnen de band bleef decennialang sudderen. Tijdens een reünie in 1983 stelde bassist Chas Chandler voor om de opbrengsten voortaan alsnog gelijk te verdelen. Price weigerde dit pertinent. ontwrichten.

4. Lori Lieberman en Killing Me Softly

In 1971 bezocht de negentienjarige Lori Lieberman een optreden van Don McLean in Los Angeles. Ze was diep onder de indruk. Volgens haar eigen lezing schreef ze haar emoties op een servetje en deelde dit met haar managers, de songwriters Norman Gimbel en Charles Fox. Zij werkten het idee uit tot een volwaardig nummer.

Lieberman nam de song in 1972 als eerste op, maar kreeg geen songwriterscredit. Gimbel en Fox claimden het volledige auteurschap en betwistten Liebermans creatieve aandeel ten zeerste. Haar versie deed weinig in de hitlijsten. Toen Roberta Flack het nummer in 1973 naar de top bracht en drie Grammy’s won, stroomden de royalty’s volledig naar Gimbel and Fox.

In 1996 scoorden de Fugees opnieuw een wereldhit met de track. Wederom deelde Lieberman niet mee in de winst.

5. Georgia Dobbins en Please Mr. Postman

De eerste nummer één-hit van Motown werd geboren uit pure noodzaak. In 1961 had de tienergroep The Marvelettes een origineel nummer nodig voor hun auditie bij Berry Gordy. Georgia Dobbins, de oorspronkelijke leadzangeres, bewerkte een bestaand bluesnummer van een vriend tot de pop-soulklassieker die het zou worden.

Vlak voor de officiële opname verliet Dobbins de groep vanwege familieverplichtingen. De overgebleven groepsleden scoorden er een megahit mee. De administratie rondom de schrijverscredits verliep destijds rommelig. Hoewel Dobbins’ naam op de officiële copyrightpapieren staat, ontvingen de instanties die de gelden verdeelden veelal alleen de namen van de overige mannelijke songwriters.

Dobbins kreeg daardoor aanzienlijk minder financiële compensatie voor haar creatieve aandeel dan de rest. Het nummer werd later succesvol gecoverd door zowel The Beatles als The Carpenters. Dobbins overleed in 2020, zonder ooit de volledige erkenning voor haar werk te hebben gekregen.

6. John Fogerty en Creedence Clearwater Revival

Het contract dat John Fogerty in de jaren zestig tekende bij Fantasy Records was financieel gezien uiterst ongunstig. De band Creedence Clearwater Revival kreeg een zeer laag royaltypercentage op hun platenverkoop. Daarnaast moest Fogerty destijds al zijn publishingrechten afstaan aan het label.

Toen de band uit elkaar viel, behield Fantasy-eigenaar Saul Zaentz alle rechten op de CCR-catalogus. Dit leidde tot bittere juridische strijd. In een bizarre wending werd Fogerty in de jaren tachtig door Zaentz aangeklaagd wegens plagiaat op zijn eigen werk. Het label beweerde dat een nieuw solonummer te veel leek op een oude CCR-hit. Fogerty won de rechtszaak, maar de juridische kosten waren gigantisch.

8. Soft Cell en Where Did Our Love Go

Het Britse duo Soft Cell maakte als beginnende artiesten een klassieke fout in de muziekindustrie. Op de B-kant van hun megahit Tainted Love plaatsten ze een cover van The Supremes’ Where Did Our Love Go, in plaats van een eigen compositie.

Marc Almond schreef later in zijn autobiografie dat dit een van de kostbaarste vergissingen uit hun carrière was. Normaal gesproken schrijft een artiest de B-kant zelf. Op die manier stromen er via de singleverkoop tenminste nog songwriterroyalties binnen. Soft Cell had nu op geen van beide nummers zelf geschreven.

De single verkocht wereldwijd miljoenen exemplaren. Almond en bandlid Dave Ball ontvingen weliswaar hun artiestenroyalties voor de uitvoering, maar de lucratieve schrijversgelden gingen volledig aan hun neus voorbij. Die inkomsten stroomden rechtstreeks naar de oorspronkelijke Motown-auteurs.

8. Tommy James en Hanky Panky

Tommy James scoorde in de jaren zestig de ene hit na de andere, waaronder Hanky Panky en Mony Mony. Wat de zanger destijds niet wist, was dat zijn manager Morris Levy nauwe banden had met de georganiseerde misdaad en systematisch geld achterhield.

In zijn autobiografie uit 2010 deed James een boekje open over deze duistere periode. Hij schreef dat Levy gedurende de jaren miljoenen dollars aan royalties in eigen zak had gestoken. James ontdekte destijds zelfs dat hij het doelwit was van rivaliserende misdaadfamilies, die hem wilden ontvoeren om Levy onder druk te zetten.

Tegen de tijd dat James de volledige omvang van de fraude doorhad, was het juridisch te laat om het geld nog terug te vorderen. Levy stierf in 1990, vlak voordat zijn gevangenisstraf wegens afpersing zou beginnen. De miljoenen waren definitief verdwenen in een crimineel netwerk.

9. Billy Joel en Cold Spring Harbor

In 1971 tekende een jonge Billy Joel een contract voor tien albums bij Family Productions, geleid door producer Artie Ripp. Het was een beslissing die hem bijna twintig jaar financieel zou achtervolgen. Het contract gaf de producer buitengewoon veel controle over Joels toekomstige muziek en inkomsten.

Zijn debuutalbum Cold Spring Harbor werd destijds per ongeluk op de verkeerde snelheid gemasterd, waardoor Joels stem onnatuurlijk hoog klonk. De echte schade zat echter in de kleine lettertjes van de deal. Zelfs toen Joel later doorbrak met Piano Man en uitgroeide tot een wereldster, bleef hij contractueel verplicht een percentage van zijn inkomsten af te dragen aan Ripp.

Joel omschreef de wurgconstructie later in interviews in zeer felle bewoordingen. Het duurde tot het eind van de jaren tachtig voordat hij zich via dure rechtszaken volledig kon losmaken van deze financiële verplichtingen.

10. TLC en het miljoenenfaillissement

In 1995 was de Amerikaanse R&B-groep TLC de populairste meidengroep ter wereld. Hun album CrazySexyCool verkocht wereldwijd meer dan elf miljoen exemplaren en leverde gigantische hits op zoals Creep en Waterfalls. Ondanks deze astronomische verkoopcijfers vroegen de drie groepsleden datzelfde jaar nog officieel het faillissement aan.

De reden achter dit financiële drama lag bij een uiterst geraffineerd wurgcontract met hun ontdekker en manager Pebbles. TLC bleek getekend te hebben voor een constructie waarbij ze vrijwel alle kosten voor videoclips, kleding, reizen en hotelovernachtingen zelf moesten terugbetalen uit hun magere royaltypercentage. Na aftrek van alle productiekosten en managementfees hielden de zangeressen per persoon minder dan 50.000 dollar over aan het hitalbum.

Tionne ‘T-Boz’ Watkins legde de situatie later pijnlijk duidelijk uit in interviews: mensen dachten dat ze miljonairs waren, maar ze waren feitelijk blut. De juridische strijd om het contract open te breken kostte de groep miljoenen dollars. Hoewel ze de rechten op hun groepsnaam uiteindelijk wisten terug te kopen, was het fortuin van hun grootste succes toen al verdampt.

Reacties

Nog geen reacties. Waarom begin je de discussie niet?

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *